is toegevoegd aan uw favorieten.

Onbewoonbare wereld

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 'n wagentje reed men 'n bleek jongetje voorbij, dat lachte idioot met z'n scheef hoofdje, hij was zeker lam; waarom lachte dat ongelukkige jongetje, wat wilde Ludo daartegen doen als hij de wereld verbeteren ging? De theorie was mooi en op zichzelf de moeite waard, maar alleen ploerten konden haar „verwezenlijken".

Maar de meeste menschen lachten een beetje feestelijk omdat 't lente was.

Ludo vond Emile ook veranderd, hij was zoo spottend en schamper van toon, het zou moeite kosten hem te winnen. Opeens duwde Emile hem 'n papier in de handen, 'n sonnet. Ludo las 't vluchtig, terwijl ze even stil stonden. „Heel mooi," prees hij en gaf 't hem een weinig indifferent terug. Toen zag hij hoe Emile bloosde, zijn neusvleugels trilden, terwijl hij zei: „Ik had 't jou willen opdragen, 't verschijnt binnenkort." Toen drukte Ludo hem de hand en Emile was weer gelukkig, onder zoo vele stervelingen, die koude, berekenende schoften waren, dezen zoo bizonderen en waren vriend terug te hebben.

5

Van lieverlee onderging de vriendschappelijke houding, die Van Thorn aan den dag had gelegd, eenige merkbare wijziging. Hij gaf op 'n avond dat moeder oververmoeid in bed lag, Ludo te verstaan, dat 't hem minder aangenaam was, dat hij nog steeds met Moser omging en 't zeer onprettig vond, dat Moser zijn huis, 'n fascistisch huis immers, bezocht. Ludo was rood geworden en zei „stik" toen zijn vader uitgesproken was. Robert was even uit 't veld geslagen over dit gebrek aan eerbied, hij wilde zich juist tot een kunstmatige woede opwerken, toen hij zag, dat Ludo verdwenen was. Robert had graag vertrouwelijk met den jongen gesproken, hij had zoo zielsgraag een jongen vriend in hem gezien. Hij voelde zich eenzaam tegenwoordig. Zijn tobbende vrouw, die hem niet begreep. Geen vrienden, hij had ze