is toegevoegd aan je favorieten.

Sigarenfabriek José Alvarez

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Plantijn terdege de hand moet houden, willen de heeren, het is alweer Latijn van Plantijn, niet „rof-rof" gaan. Bijzondere aandacht wijdt Plantijn ten allen tijde aan de pas uitgeleerden. Het zijn de twee tot drie bosjesmakers die jaarlijks uitgeleerd zijn, en wanneer ze werkelijk capaciteit hebben en er is een plaatsje vrij, dan doet Plantijn voor deze adspiranten een goed woordje bij den baas. De leertijd van den bosjesmaker duurt officieel drie jaar, maar de meesten hebben nog wel een jaartje langer noodig, alvorens ze werkelijk als zelfstandig sigarenmaker kunnen fungeeren. Hoewel Plantijn hen vooral het eerste half jaar ontzaglijk op de vingers kijkt, hen bijna eiken dag naar beneden fluit en hen kwistig met zijn vakkundige aanmerkingen bedeelt, hebben intusschen toch veel jonge krachten aan deze Plantijnsche methode het te danken gehad, dat zij inderdaad tot knappe vaklui gevormd werden.

Plantijn blaast op zijn roestsleutel. Een schor gefluit. Het krijsch-duo Plantijn-Joopie is begonnen. Uit alles blijkt dat de meesterknecht van de José Alvarez een volbloed primitief is; ook uit zijn opvatting van het getal bijvoorbeeld. De niet bijstere geschooldheid van Plantijn komt meer dan eens tot koddige uiting. Voor een plusteeken zet hij met stoïcijnsche volharding een maalteeken. Wanneer hij de sigarennummers 219+188 moet noteeren, dan ziet het er altijd zoo uit: „219 X188". Menige magazijnjongen heeft hem reeds op deze cardinale fout gewezen, doch nimmer ook maar met eenig succes.

Integendeel: