is toegevoegd aan uw favorieten.

Sigarenfabriek José Alvarez

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gedaanten door de donkerheden van het park. Dieren vluchten langs den grauwen grond.

Van Asperen kampt in zijn slaap met onzichtbare demonen. Hij is onrustig. Klaar wakker is hij nu. Vóór hem: zijn kleinzoon met het waterhoofd afzichtelijker dan het in werkelijkheid is. Zijn vrouw snurkt.

Van Asperen grient.

Morgen, middag, avond, nacht. Morgen, middag, avond, nacht. Nu is het nacht.

De nacht is alom.

Door het smalle kleurlooze water, waar Jan Burema zich heeft verdronken, slingert zich sierlijk een lichtend lint.

De geheimzinnige poort van het museum is met een hek afgesloten. Een vale man schurft zich er tegen aan. Hij maakt grimassen in den nacht met armen en beenen als een vogelverschrikker in den mist. Eerst wordt hij belachelijk lang, dan tuimelt hij. Hij is dronken.

Een razende auto verplettert een moment de poëzie van het nachtgeheim.

Een lantaarnpaal wordt lyrisch.

Overal licht de schemerzwaarte op door hemelsche aanraking.

Op het margarine-gladde hoofd van Van der Peppel zit een vloo.

De Salamanders in de droogkamer van de José Alvarez gloeien vuurrood.

De Nes riekt naar tabak en jenever.

In de lage bordeelhuizen snurkgeronkel. In een enkel zucht de bronst.