is toegevoegd aan uw favorieten.

Nachtvorst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu alsof hij veel vroeger reeds iets dergelijks met van West had beleefd, den eersten ochtend, dat hij, als kleine jongen nog, met hem was gaan wandelen. Er was toen iets geweest van zwemmen en toch weer niet zwemmen, hij wist het niet meer zoo precies, 't was alles vaag. De God die op het punt had gestaan hem in zijn Godenleven te betrekken werd een zwakkeling, een verrader, iemand die zich opsloot met de een of andere Ida en die zijn moeder had weggetooverd. Hij herinnerde zich al niet meer zoo goed, wat hij tot voor enkele uren had bezeten, wat hij echter heel scherp besefte was, dat er een leegte was ontstaan, waar vroeger een gelukkige vervuldheid was geweest. Nu was er niets meer. Hij was alleen. Wat dat betreft strookte de onheilspellende eenzaamheid der natuur met zijn innerlijke verlatenheid.

De schaduw van het rotsblok was allang zoo koel geworden, dat hij de zon weer had opgezocht en toen hij eens om zich heen keek bemerkte hij, dat hij waarlijk geen rotsblok meer hoefde te zoeken om beschutting te vinden. De kleurlooze, als uitgebleekte zon, waarin het heele bergplateau had liggen branden, was gekrompen tot een baan van nu warmer licht en daarnaast schoof een strook schaduw aan. „De avond komt", dacht hij. „Wat zullen ze beneden ongerust zijn". Het hinderde hem even, want vanzelf viel hij terug in de voorstelling van het leven in Bella Vista, zooals hij het altijd had gekend. Doch onmiddellijk dwong hij zichzelf om het beeld prijs te geven van de avondlijke kamer met de beide, onder het lamplicht bordurende vrouwen en den gast, in het laatste licht nog met zijn pijp nadrentelend voor het hek van den tuin. De werkelijkheid immers was die hatelijke roze deur. Ze zouden hem niet eens missen, ze dachten niet meer aan hem, wat kon het hun schelen, waar hij zwierf?