is toegevoegd aan je favorieten.

Nachtvorst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En als ze op den duur toch ongerust werden? Net lekker! Deze geforceerde wraak, welke hem heel slecht afging, gaf een te kleinen glimp van vreugde om hem voor den grooten angst te behoeden, die nu plotseling en geweldig in hem steeg. De avond viel, de nacht naderde snel, waar moest hij heen? Geen denken aan, dat hij nog voor het donker zijn huis zou bereiken. Nog vóór hij bij het bosch was, zou het volslagen donker zijn. Het was onmogelijk in het stikdonker den weg van door steiltes begrensde „serpentines" naar omlaag te vinden. Wat dan? Waar was hij? Pierre had gesproken van een hut. Waar was die hut? Hij sprong overeind en hoewel zijn voeten nog hevig pijn deden rende hij het pad vooruit. Hij zag, nu hij oplette, dat de weg gemarkeerd was met roode pijlen op de steenen. Als hij doorliep kwam hij dus zeker bij een hut. Doch zijn vreugde was van korten duur. Toen hij, na een kwartier, de roode strepen volgend, met zijn brandende voeten de bedding van scherpen steen van den stroom was overgestoken, trof hem aan de overzij een bord, waarop te lezen stond, dat de hut nog twee uur verder lag. Het pad werd nu steiler en slechter, geen menschelijk wezen nog steeds te bekennen. In de schaduw, waarin hij sedert hij de rivier over was liep, was het huiverig kil. Hij beraadslaagde met zichzelf of hij door zou loopen dan wel omkeeren en sprak met zichzelf af, dat hij dóór zou gaan tot de wegwending, welke niet meer ver kon zijn, want het leek elk oogenblik alsof het weggetje op den bergwand wilde doodloopen. Maar de afstand was bedriegelijk, want hij liep en liep en de berg bleef even ver. Eensklaps bleef hij staan, het was hem alsof hij een geluid vernomen had, hij hield den adem in en ja, daar was het weer, de klank, alsof er snaren werden aangeslagen. Zou de hut dan toch dichter bij zijn dan hij