is toegevoegd aan uw favorieten.

Nachtvorst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren juist bezig samen over den berg kleeren, die nog niet was weggeruimd, heen te klauteren. Het was Marceline Diekirch.

„Juffrouw Diekirch, ja, ziet u, ik kom net van de reis,... als ik geweten had... aan het uitpakken... rommel..." Het meisje schopte haar voet, die in de mouw van zijn bruine pak gevangen zat, los en wist met een sprongetje effen terrein te bereiken, dat wil zeggen de vloer van Arthur's kamer. De hospita liet hen misprijzend alleen. Ze stonden tegenover elkaar in de slordige kamer, waar het rook naar bestorven asch en drank, de geuren, waarvan zijn garderobe doortrokken was. Ze bloosden allebei. Alsof Marceline bang was, dat Arthur vluchten zou, stond ze met haar rug voor de kamerdeur en hield achter zich den deurknop met haar beide handen vast. Een zenuwachtig lachje gleed over haar gezicht. Dan zei ze: „Misschien vindt u het wel gek, dat ik hier kom en dat ik me met uw zaken bemoei, maar ik kon dat alles eenvoudig niet zoo maar laten gaan. Als niemand zijn mond opendoet om het te zeggen, dan zal ik het zeggen, dacht ik; ik hoef er niet zooveel woorden aan vuil te maken, ik kan kort zijn..." Ze slikte en snakte even naar adem. Ze was zoo opgewonden, dat ze bijna huilde. Haar anders wat kille, ronde oogen werden verzacht door dreiging van tranen.

„Je, je, je bent een dwaas, je bent een groote, groote dwaas, Arthur van Stuyvesant, enfin, dat is het eenige, wat ik je zeggen wou. Zet me er nu maar uit." Een snerpend hoog geluidje ontsnapte haar keel, dat best een snik kon zijn, maar verder met huilen kwam ze niet. „Ik zet er u niet uit", mompelde Arthur met gebogen hoofd, „integendeel, integendeel, het is verdomd aardig, verdomd hartelijk, het is..."