is toegevoegd aan uw favorieten.

Nachtvorst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer twee halve wolven een dubbeltal Roodkapjeverslinders suggereerden, miste de verbeelding der kinderen houvast door een zinledige gaping van het verhaal.

Dien bewusten middag, toen de kus zijner aanstaande schoonmoeder Arthur tot verloofde had gedoopt, beleefde hij iets soortgelijks. Hij zag, en met welk een voldoening, de bittere tafreelen van het verleden uit zijn gezichtsveld verdwijnen en reeds schoof de eerste tip der toekomst naderbij. Het verleden had zijn beteekenis verloren, de toekomst miste nog zin. Hij toefde in een inhoudloos tusschengebied, waarin hij niet veel anders kon doen dan diep en bevredigd ademen en prevelen: „Gelukkig, gelukkig, gelukkig!..." Gelukkig? Waarom eigenlijk? Omdat hij aan den dans van een dreigend verleden was ontsprongen? Zeker! Maar dan? In verwachting van het naderende nieuwe?

Volstrekt niet. Arthur verheugde zich niet, durfde niet goed aan de toekomst denken. Hij had een panischen schrik voor de nieuwe werkelijkheid, die ontstellend snel naderde. Liever dan te trachten het komende te duiden uit de feiten, die thans reeds tot zijn beschikking stonden: het meisje, de werkkring waarover mijnheer Diekirch hem gesproken had, zijn toekomstige woonplaats, vluchtte hij weg in den roes der verloofden, die zeer intens was, daar men was overeengekomen, dat het engagement slechts heel kort zou duren; in Juni reeds zouden Arthur en Marceline trouwen. Zes weken waren noodig om de voorbereidingen te treffen. In die zes weken waren er genoeg inkoopen te doen, visites af te steken, diners bij te wonen, ontvangsten te houden om zich van de plicht tot bezinning ontheven te achten. En desondanks, misschien juist omdat hij vermeed met zijn gedachten de cardinale punten te beroeren, groeide de