is toegevoegd aan uw favorieten.

De wilde schuit

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Wijkerhaven glijdt door den nacht met een snelheid van tien knoopen per uur. De log draait rustig achter de boot aan. De rook verdwijnt onzichtbaar door de pijp. In de machinekamer en op de brug is licht en wordt gewerkt als overdag.

De doorgangen, aan weerszijden van de hutten der stuurlieden, machinisten en civiel personeel gelegen, zijn nu eenzaam. De mast op het achterdek is bijna onzichtbaar. In het focsle slapen de stokers en matrozen van de afgeloste wacht. De kapitein en de eerste stuurman zitten in hun kajuiten. Ze kunnen den slaap niet vatten. Het begin van de reis is altijd even onzeker, en zij zijn de verantwoordelijke personen voor het schip, bemanning en lading. De kapitein is wat bijgeloovig. Ook de eerste, een klein, kwiek kereltje, die zich van matroos tot eerste heeft opgewerkt, heeft zich niet van alle bijgeloof kunnen losmaken.

Donker weer in het begin van de reis. Is dat geen slecht voorteeken? Zouden ze lang wegblijven? Zouden ze in de Zuid lang op lading moeten wachten? Door de patrijspoort ziet de eerste niets dan de donkere watervlakte. Hij kleedt zich uit, trekt zijn pyama aan, een verjaarscadeau van zijn jonge vrouw, en kruipt zijn kooi in. Nog lekker frisch, denkt de eerste verder, wanneer hij zijn deken over zich heen trekt, in het vooruitzicht van de klefferige warmte, die hen over eenige dagen zal hinderen.

Versluys, de kleine koksmaat, zit op een bankje op het achterdek. De bootsman knipt met de tondeuse zijn haar: