is toegevoegd aan uw favorieten.

Van aangezicht tot aangezicht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p

pen, toen daverde reeds de locomotief onder de overkapping. Aan het kleine station hield de trein slechts kort stil; toen Nico zijn jas had opgehangen, zijn hoed in het net gelegd en zijn kranten naast zich uitgespreid, reed de trein al onder de kap uit. Met een zucht van voldoening schikte Nico zich in zijn hoekje, sloeg een tijdschrift open en tuurde erboven uit naar het herfstlandschap.

Zon lag over de bronzen landen; plotseling was uit een grot van blauw in den onverschilligen hemel het krachtig licht van een stralenden middag tevoorschijn gekomen. Wolkpluimen van rook schoven voorbij het coupé-raampje. Nico voelde, dat hij een gebeurtenis tegemoet ging. De cadans van den trein, de vaart waarmee hij aan huizen en wegen voorbij stoof, gaf hem de zekerheid van op weg te zijn naar iets, waarvan hij zich geen voorstelling kon maken, doch dat voor hem van groote beteekenis zou zijn. Hij stond op en boog zich uit het raampje. De wind stormde langs zijn schouders; zijn hoofd was koel en helder, bevrijd van pijn.

Herfst was zijn seizoen. Dit licht maakte hem op onverklaarbare wijze opgewonden van vreugde. Hij dacht aan niets en wist, dat zijn geheele wezen gespannen stond naar het bespringen van een ongekend gebied.

Coert was aan den trein. De jaren hadden de twee vrienden niet verwijderd; er was terstond contact. Coert was ouder geworden, zijn haar begon te grijzen en onder zijn oogen lagen schaduwen in de ge-