is toegevoegd aan je favorieten.

Van aangezicht tot aangezicht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V

„Lucie,

Ik heb den nacht langzaam voelen voortgaan onder mijn voeten, terwijl ik door de doodstille donkere straten gleed, of ik een schaduw was. Zoo lang het nacht bleef, was alles goed. Ik heb geloopen, afgesloten in een kleine met wol gedempte doos, waarin ik veilig was voor alle aanraking van buiten. Toen begon het licht te worden. Ik zag het opeens, doordat een boom zich losmaakte van het donker en zich krampachtig uitrekte tegen een violet schijnsel, dat achter de huizen oprees. Dat was het eerste sein; er sprongen toen meer boomen overeind, en een zwarte schutting zette zich vastberaden voor mij neer. De dag kwam snel, alles werd zichtbaar en onverbiddelijk van vorm.

Een kar met ijzeren staven reed langs mij heen, alsof de oorlog was uitgebroken. Een straatveger maaide met regelmatige slagen over de steenen; toen hij langs mij kwam, hield hij zijn bezem stil en staarde mij achterdochtig aan. Hij had een karretje op twee wielen bij zich, waarin hij haastig het straatvuil gooide. Hij sprong op de treeplank en reed met vaart den hoek om, of hij voor mij vluchtte.

De stad was druilerig en baloorig. Ik ben naar het station gegaan en heb twee telegrammen verzonden. Met een taxi ben ik naar een hotel gereden. De kamer waar de kellner mij bracht, was koud en rook naar oud stroo. Door de grauwe gordijnen siepelde het licht naar binnen als motregen. Ik ben gekleed