is toegevoegd aan je favorieten.

Van aangezicht tot aangezicht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekleurde prenten van storm op zee en bijbelsche voorstellingen. In dertig jaren was hier geen tafeltje verzet, geen schilderij verhangen.

„En hoe maakt Marianne het? Ik heb haar in een heelen tijd niet gezien. Het is een lieve meid, ik heb altijd nog die aardige verrassing die ze ons toen heeft gestuurd, die steenen poes met rozen, och zoo aardig, waar staat die nu? Hé, nu kan ik hem toch niet vinden. Beppie! Waar is dat kind nu weer, ze zit zeker weer bij Grootvader, dat is altijd als ik haar noodig heb. En waar blijft de thee. Beppie! geef de sigaren eens. Je blijft toch hier logeeren, nietwaar Nico? Morgen komt Rika om acht uur, ik heb heel goede hulp."

Dien avond sliep Nico in het kamertje, waar hij als jongen zoo dikwijls had gelegen, in hetzelfde ijzeren ledikant je, dat piepte als hij zich omkeerde, naast het driepoot-waschtafeitje met de emaille kom en kan, het glas hangend in een houten ringetje ernaast.

Hij was Grootvader Onnes goedennacht gaan zeggen, zooals hij het vroeger als kind deed. Want ook toen reeds was Grootvader dikwijls ziek, ofschoon hij als predikant een drukken werkkring had. Nico had den ouden man in het groote bed zien liggen als een heel klein figuurtje. Zijn gezicht was geelbleek en de witte baard — glanzend uitgekamd — lag op het laken uitgespreid. Nico had de broze oude hand voorzichtig gedrukt en eenige oogenblikken zwijgend getuurd naar dat mannengezicht, waarop hij zelfs nu nog gelijkenis met zichzelf be-