is toegevoegd aan uw favorieten.

Van aangezicht tot aangezicht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijn binnenstraalden; het harde van de laatste a maanden, al het wreede verdriet, werd in deze tranen verzacht. Zij aarzelde, of zij wel kon toegeven j aan deze zwakheid, maar zij voelde Marianne's arm j om haar heen en hoorde kleine troostwoorden i fluisteren, troostwoorden die haar eindeloos goed deden en waarnaar haar geheele hart luisterde. Ma- , rianne streek het haar van haar voorhoofd weg en bette met haar zakdoek de tranen van Lucie's ge- v zicht. [ i

„Je moest een poosje bij me komen logeeren, Lucie. Het begint buiten nu heerlijk te worden, de vogels i [ kwetteren al in de boomen". [

„Bij jou?" vroeg Lucie, half glimlachend, „ik bij h jou logeeren?" | j

„Ja zeker. Een andere omgeving zal erg goed voor i je zijn. Je moet een beetje afleiding hebben. In mijn fi tuin bloeien de crocussen nog en buiten staan overal I dotterbloemen aan den slootkant, 's Middags schijnt de zon over de weilanden, het gras is al zoo welig en groen en het staat vol madelieven. O, waar ik woon, is het zoo heerlijk. Kom een poosje bij me Lucie".

„Ik vind het moeilijk, om nu bij de tantes weg te gaan, zij rekenen erop, dat ik hier blijf".

„Dat zullen ze wel begrijpen; je moet nu om jezelf denken, je mag je niet zoo in je verdriet opsluiten. En je zult eens zien, hoe lief Anneke is. Kom, beloof me, dat je het doet. Wij hebben samen zooveel te bepraten".

„Ik zal er over denken," zei Lucie zacht, terwijl ze