is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evengoed een éenige stoel, een stoel om fijn in uit te rusten. „Ga maar zitten, Gabe." Hij zit al. Hij zucht van genoegen en van pijn. „Kan ik wat voor je doen?", vraagt Aaike. Ze komt dicht bij hem, zoo dicht als ze maar kan, eerst aan de eene kant, en dan, omdat ze daar dichter bij hem is, aan de andere kant. „Kan ik wat doen?" Ze praat toch zoo zacht: het is niet veel meer dan een beetje wind in een stuk of wat droge boombladeren. Gabe zegt: „Ik weet niet, Aaike, dat weet ik niet." Hij kijkt of hij ergens over denkt. Hij zegt ook: „Je doen al wat an me." Dan vertelt hij ook wat er gebeurd is. En als hij uitverteld is, begint hij er opnieuw over. „Die Obbe Ekbard, hè?, had je dat van Obbe Ekbard gedacht en van me — van Johannes? Hij sloeg me toch zoo. En hij — hij is me Vader, hè Aaike?, hij is toch me Vader — hij — hij was me Vader." Nou kan Gabe niet verder. Hij drukt zijn kin op zijn borst. En knijpt zijn handen weer over het kruis van zijn broek heen. Hij zit er bij of hij luistert.

Er kraakt wat in dat kleine huis, droog hout is dat. De tik van een klok kraakt ook. En Aaike's boezeltje ritselt. Gabe voelt in zijn broekszakken naar zijn zakdoek. Dan hoort hij ook die twee centen van Roehen rinkelen. Hij legt ze voor Aaike neer. „Bewaar jij ze?" Hij snuit zijn neus, en keert zijn hoofd wat af. Nou spat het verdriet toch nog uit zijn oogen op zijn wangen. En Aaike die bijt hard op de muis van haar hand. Ze is opgestaan. Ze staat over hem heen. Ze knijpt toch zoo in de leuning van zijn stoel. „Is het hier?", vraagt ze stil. En ze legt haar dunne handjes om zijn nek, en ze raakt zijn nek toch bijna niet aan: het voelt of het