is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veertjes regent, het glijdt zoo lekker-koel langs hem heen, dat hij er van zucht: „Ja, daar is het. De veertjes kriebelen ook. Hij zit er met zijn natte oogen

stilletjes om te lachen.

Even is Aaike weg geweest: als de wind zoo vlug ging ze weg — en ze is er al weer. „Wees maar stil", sust ze. Ze legt een grauwe vettige vadoek om zijn hoofd, die heeft ze nat gemaakt in de regenton, die is lekker-koud. Gabe doet er zijn oogen bij dicht. En hij leunt met zijn hoofd tegen Aaike's schoudertje aan. „Ja fijn Aaike, zeg Aaike fijn — fijn zeg." Ze blijft stil zoo bij hem staan, krom en naar hem toe gebukt. Hij legt ook zijn wang tegen haar schouder. „Het klopt niet meer zoo." Hij wrijft zijn wang tegen de strook van haar boezeltje aan. Hij kan tegen Aaike glimlachen met een dik nat vliesje voor zijn oogen — alles is even weg: de kamer, het raam, Aaike, het vliesje knapt — daar is alles weer: twee rozijnen-vlechtjes en een puntig kinnetje, en twee oogen met veel blauw onderin en een dikke witte glans er boven op. En het dribbel-kind Lo ziet hij ook, het graait naar de twee centen van Roelien, op tafel. „Pas op", waarschuwt Gabe, „steek ze bij ie. Koop er wat lekkers voor morgen, dat we wat hebben in het speelkwartier." Aaike knikt. Aaike steekt de centen al weg. „Co bijt op alles. Ze krijgt nou pas tandies. Ze is er laat mee. Alles stopt ze in haar mondje. „O", zegt Gabe telkens, „o?, o . . •?" Hij weet niet wat hij anders zeggen moet, hij is maar een kind alleen,

hij kan er niet over mee praten.

Aaike en hij zitten ook nog een tijdje buiten op de steenen rollaag bij het sprieterige potplantje en de