is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paardebloemen en het wiegekind Ka. Het kind ligt zoo maar, zonder luier op het zeiltje. Dikke rooie billen heeft het kind. „Is dat — nou een — meisje?", vraagt Gabe. Dat weet hij toch al lang: Ka heet ze. Maar hij heeft het kind nog nooit zoo gezien. Aaike houdt de kous die ze stoppen moet, stijf tegen haar borst aan, of het wat levends is, dat ze aaien kan. Ze kijkt naar Gabe. „Ja, jongen, dat is Ka toch?, dat weet je wel! Een meisje?, ja, dat zie je toch?" Al-door kijkt ze naar hem op. Haar oogen zijn grooter ineens, het zijn net oogen van een kerk-beeldje, maar ze zijn van binnen vol licht, het licht kruipt ook over de randen heen. „O ja", knikt hij, „ja-eh . . ." En dan is hij zelf verlegen. Hij moet pinken en hij wordt rood en hij kijkt een andere kant uit. „Omdat ik maar alleen ben, thuis, weet ik niks." Aaike begrijpt het best. „Dat is een héél verschil met ons", geeft Aaike toe. Ze weet er nog wel meer over te zeggen. Er tusschen-door denkt ze ook nog aan wat anders. „Ik zal je haar mooi-glad kammen aanstonds", Aaike praat graag netjes, Aaike zegt nooit: meid, of a-stons, daarom praat Gabe óok netjes als hij bij haar is. „En je das zal ik overstrikken", belooft ze, „en je schoenen een beetje oppoetsen." Maar ze heeft het ook weer over „de kinderen": de broertjes en zussen. „Ja, die geven wat te doen, zeg!, en als je zelf wasschen moet, dan doe je ze niet altijd luiers aan of een broek. Kee en Cootje loopen ook zoo-maar. Er is anders geen redderen aan, jongen." Ze wil hem ook nog wat goeds aandoen, nou haar Moeder er niet is. Als haar Moeder thuis is, kan ze hem nooit veel goeds dóen. „Heb je misschien dorst?", ze hoopt dat hij dorst zal hebben,