is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij ook weer mee op. Hij bijt hard in zijn lip. Het witrooie gezicht van Tijs Robel is al weer vlakbij: „Die mug van Brunt . . ." En Sietse is er ook nog: „Morgen ik . . Gabe zweet er van. Hij kijkt ook nog een keer om. De jongens staan nog bij de poortmuur onder de lantaarn. En op de poort, smal en donker tegen een lichte plek in de lucht, staat Maritgen. Hij ziet het rondtetje van haar voorovergebogen hoofd, de boog van haar dunne armen, haar eene bloote borst, die donker lijkt. „Aaike", zegt hij verslagen. Het is of hij Aaike nou dadelijk zou moeten aanstooten, of hij nou direct tegen Aaike zou moeten zeggen: „Wees toch maar niet nijdig, zeg wat goeds tegen mij. En Aaike s gezicht is er ook. En het verandert er niet om. Ze kijkt naar hem op en staat te bedenken wat voor goeds ze aan hem doen kan. Gabe zegt of ze er werkelijk is: „We moeten toch oppassen dat we niet in de kijkert loopen.

Hij drentelt dicht langs de zwarte ruischende tuinen van Yiertelhausen en Moonen. En is wat in de tuinen dat groot is, er is wat bij dat ver van Weierlei is, en van de menschen en de kinderen in Weierlei. Hij dwaalt ook om het Luitgarde-hofje heen. De boomen op de binnenplaats ruischen daar anders dan in de tuinen, ze staan te dicht bij de Luitgarde-vrouwen en bij Vader en Moeder Frossee. De zeskantige blauwe muurlantaarn brandt boven de glimmende boog van de voordeur. Een vlier vertoont geheimzinnig in dat dunne blauwe licht haar groote witte schermbloemen. De rose rozen aan de muur buigen zwaar naar voren toe. Er staan meizoentjes in het grasveld — nee, het groote van de tuinen is hier niet.