is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijste wezen, Gabe. Als je met — met een vrouw ben, dan mag je geen keet maken met de een of andere vent. Doen maar net of je neus bloedt, als hij een gek gezicht tegen je trekt, of zoo." „Vin' je dat ik dat doen kan?", Gabe wil wel graag de wijste wezen, „nou, ik zal het perbeeren, maar beloven doen ik niks." Obbe is dan al vlakbij. En Obbe die grijnst zoo'n beetje in het voorbijgaan. Hij trekt een malle mond. Dan kraakt en knappert hij al weer verder op de slakken. En Gabe kijkt met een schuin oog de groote sterke breeë Obbe Ekbard na, hij loopt als een kerel, die Obbe, bonken van pooten heeft hij, een geweldig achterwerk, vuisten als keisteenen. „Ik zou het nooit in der eeuwigheid van die jongen gewonnen hebben", beslist hij in stilte. Maar dat wil hij voor Aaike niet weten. „Het was dat je het vroeg", zegt hij tegen Aaike, „maar ik zou graag boven op hem gesprongen wezen om hem een koppie kleiner te maken." Dat erge zweeten houdt nou ook op. Ze loopen weer dichter naast elkaar. „Het was goed", zegt Aaike, „dat je je inhiel'." Ze glimlacht of ze veel begrijpt. „En wat gaan we nóu doen?" Gabe grinnikt. „Hiér moeten we wezen." Hij blijft staan voor een gat in een hooge dikke ligusterhaag. „Daar moeten we door heen. Ik weet hier wat aardigs te vinden. Durf je achter me an?" Ze voelt aan de omgebogen punten van haar vlechtjes en knijpt weer met haar oogen en kijkt ook nog om, kijkt ver weg of ze het dak zoekt van het kleine grijze huis achter de Luitgarde-kerk en de bitterstinkende belt. „Ja", zegt ze, „dat durf ik wel." En ze vraagt verder nergens naar. Ze vraagt niet eens: „Wat ga je daar doen?", en „Weet je wel dat dit de tuin is

Een Menschenhart — 4