is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst zwemt hij nog naar de hooge wal toe, aan de overkant, maar daar kan hij aan die lange gladde basaltblokken geen houvast krijgen, hij keert terug en zwemt naar de lage wallekant, in een andere richting, een eind van de kerel af, telkens zakt hij even weg, zijn spitse bekje komt toch nog boven, hij haalt de wallekant nog net, en staat daar als verblind, en bibbert zoo. En die kerel op de walrichel roept weer wat naar zijn maat onder de boom. „Ik had een kei moeten hebben, om op zijn kop te mikken. Wat een taai loeder! Nou — driemaal is scheepsrecht." Hij schiet op het katje af en wil het opgrijpen. Maar Gabe is al bij hem en houdt zijn arm tegen. „Och, doet u dat nou niet, dat arme beest. Hij kan niet eens meer wegkomme. Wat het u er aan?" De kerel kijkt stom-verbaasd op Gabe neer, trekt zijn arm los en schatert netelig. „Zoo oue-jongejuffrouw?, mot je huilen — zus?, mot je grienen?, wil jij er ook bij? Wil je ook zwemmen?" Hij smijt de kleine kat toch weer in de gracht terug. „Nou haalt hij het niet meer", roept hij naar zijn maat en hij grinnikt. De kleine kat zwemt nog even, zinkt — komt weer boven — zinkt — steekt nog een keer zijn kleine kop omhoog en zakt dan voorgoed weg. „Uit", zegt de kerel, „die is er geweest en die komt er niet meer." Treiterend kijkt hij naar Gabe. „Is leuk geweest, hè?, dat was leuk." Gabe loopt achteruit bij de glooiing op. En het is of de haat zijn hart heen en weer schudt als een klok, als een brand-klok. Ook de rookende glimlachende vent onder de boom haat hij. Ze kijken allebei naar hem, de kerels. Maar die eene aan de benedenwal, Gabe scheldt die uit. „Beid", schreeuwt hij, „Judas, vies hufter, moordenaar!"