is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij kijkt gauw naar haar om. Haar oogen zijn in de zon kringetjes van blauw-wit licht. Ze moet toch nooit knipperen, die Aaike.

— Te Twullik eten ze de rest van hun roggebroodje op. Onder een elzeboom zitten ze op een grijs plein. Er is een plomp fonteintje, zoo grauw en zoo oud of het daar wel honderd jaar gestaan heeft, het lijkt van dof tin te wezen en de vier tinnen mannen-gezichten sproeien uit het zwarte gaatje van hun fluitmonden een dun straaltje water in het bekken. Gabe vult het schaftkannetje van Brunt bij de waterspuwers. Uit de kromme rooie straatjes van Twullik steken kuiven van groen, dat zijn de kruinen van de iepeboomen en de vlieren. En achter de ronde plein-linden staan alleen maar café's en winkeltjes. Naar de café's kijken Aaike en Gabe niet, maar wel naar de winkeltjes: dingen van suikergoed liggen er achter de ramen en appels en peren en noten, en worsten dik en rood, met dobbelsteentjes spek er in, en bruine versch-gebakken broodjes. Gabe en Aaike kijken er toch maar niet te lang naar. „We moeten lang met ons geld toe!", zegt Gabe. En Aaike kijkt nog 's naar de worsten en de appels om. „Ja", knikt Aaike.

Er zijn daar ook winkels waar ze bloemzaden verkoopen en raffia en boonenstokken. En Gabe denkt: „Hier komme nou de vrachtrijers." Bij de groote boerderijen buiten Twullik denkt hij dat ook weer. „Hier halen ze de manden met eieren op en de hammen. Een mooi vak toch."

Te Minnesweerd zitten ze nog een poos aan het schutsluisje. Ze schuiven dicht naar elkaar toe, en turen