is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn oogen wijd-open en hij merkt na een tijdje dat ze stijf dicht zitten. Soms is het hem of Aaike het over Roelien en Johannes heeft. De sterren beven en springen door mekaar heen als gekken en dansen op en neer. En ze zijn ook wel weer stil. Hij zit in de keuken van „De moutkuip." „Ik heb alles maar gedroomd." Dan hoort hij Aaike weer. Hij ademt de prikkelreuk van de hooiberg in. „Nee, niét gedroomd." Hij staat bij Maritgen. Maritgen praat en praat. Het gonst als water dat haast aan de kook is. Hij kijkt bij vrouw lts naar binnen, hij kijkt naar de goudsbloemen, en de gele reepjes aardappel en de dampende koffie. „Het is niet waar, dat ik spoorloos verdwijnen wou." Hij hoort Aaike. Hij ziet de hooge nacht. „Ja, het is wel waar." Aaike zegt: „Hadden we niet een brief moeten schrijven?, dat ze niet hoeven te denken dat we — dat we ons verdaan hebben, Gabe?" De sterren hippen weer op en neer. En de spook-kerel op de vlonder slaat dubbel, net of hij stikt van het lachen. En het lange gras golft als groen-grijs water. „Ja, een brief", mompelt hij, „dat kan nóg." De maan is vlakbij, de maan maakt grimassen aan de uitgang van de hooiberg — hij is ook weer ver-af. En de nacht wordt al hooger. Gabe vraagt ook nog wat, dat hij eigenlijk niet vragen wou. „Is dat dezelfde: de lieve God en Jezus? „Ja", zegt Aaike, „dezelfde." Het is ineens ook of er een kerkklok luidt. En of Prinselie weer met zoo'n beefstem zegt: „Een hart dat voor je openstaat." „Aaike", fluistert hij nog, „wou je dan terug?" En Aaike zegt met een stem die heelemaal uit de verte komt: „Ik wil wezen waar jij bent." Hij pakt haar handje stijver beet. „We moeten toch

Een Menschenhart —10