is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch, maar ze ken maken dat je je temet verzuipt! Aflijn, veel en niet genog, en dat nou daargelaten — het is gemeen van me geweest dat ik je die peut het geven, door dat bezopen end kerel. Ik ben toe' ferachtig van me-eigen geschrokken, het was gemeen. Je Moeder schreeuwde het me te hard toe vandaag en gister — hoe benne vrouwlui?, en toe' ging ik er tegen in, toe' ging het hard tegen hard. Maar gelijk had ze. Het was gemeen. Het stonk van de gemeenigheid. Aflijn, me hand er op, kérel, het zal me niet meer overkomme. Dros jij dan ook niet meer weg, hè? En zalle we dan goeie kammeraads wezen — wat?" Gabe grinnikt verlegen. Hij wrijft zijn wang hard tegen Johannes' mouw aan. „En of. " Hij denkt: „Wat is dié eerlijk —me Vader, wat is het een goeie — me Vader."

Maar in Weierlei krijgt hij toch weer een naar droog gevoel in zijn keel. En het is of Sander's wagen met een knars stil staat, boven op een zeer gevoel. Ze gaan achterom het huis in. Tim Toot bedient in het café, en Tim Toot grinnikt als een boef. Maar Roehen is in de keuken. En Roehen ziet er uit, of er geen traan meer in haar zit. Ze is van het huilen heelemaal uitgedroogd en ingevallen en haar oogen lijken op steenpuisten, maar ze is toch wel hef. Ze is nou ineens weer zijn Moeder. Gabe doet zijn armen om haar nek. En hij voelt dat ze beeft. „Hoe — hoe — hoe kon je, jongen, kon je . . .?" Johannes komt er ook bij. En hij zegt: „Stil nou maar, je hadde wèl gelijk, van die avend, je hadde gelijk, menschlief." Roehen wil toch nog een heele hoop dingen zeggen — en al wat ze zeggen wil, dat kan ze beter niet zeggen. Johannes denkt dat — het is te zien. En