is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ver niet. En hij nam het euvel op dat Johannes zat te gniffelen. Hij weet het nou nog best. Johannes die was haast gestikt in zijn potje bier. „Nou-uch-uch-uch ik . . . ik . . . jasses nog toe, uch-uch-uch, ik zien jou al achter de paarden!, paarden met een hypotheekie en een kar met een hypotheekie en een jongen die pas met zijn gat van de schoolbank af is — op de bok: „Vort hengst!" Hij raakte toch ook weer uitgeproest. „Nou, je ken altijd nog veranderen. Maar bij Van Beinum daar hebben ze een knechie noodig, een knechie alleszins betrouwbaar — je moch 's met de kas op de loop gaan daar in die rijke boel — maar met de grutterij kon je je loopbaan wel beginnen! Alle gróote kerels zijn van onderen af begonnen. En je ken het nooit weten, hoe ver jij het nog brengt in de wereld. Misschien wil je je Moeder en mij niet eens meer kennen later. Doodwerken zal je je daar niet. En je pikt er altijd nog wel wat op!" Gabe trok toen een neus of hij wat viezigs rook. »Jaz" zes", dacht hij, „Van Béinum — die uitdrogerij ?" Hij ging naar Aaike. Ze zat op zoo'n warm stoepetje in Berkenhart, voor zoo'n poortje met een leeuwenkop, en ze had een paar kinderen bij haar en ze breide. „Nou willen ze me bij Van Beinum hebben, Aaike. „Ja? , Aaike breide eerst die pen af waar ze aan bezig was, „nou — ik zou het maar probeeren. Je kan nog altijd veranderen. Je ben er niet an getrouwd. Ik moet vaak boodschappen doen bij Van Beinum. Dat kan ik dan wel uitstellen tot even voor het sluiten." Gabe had nog niet een keer geknikt op wat ze zoo zei. Maar toen ineens knikte hij, toen knikte hij lang. „Ja", dacht hij onderweg, ,,eigenlijk is het een mooie baan. „Nou? ,