is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel meer zoo. „Dag", zegt ze terug. En dan vraagt hij wat moeilijks. „Wat denk je toch Aaike, als je zoo naar me kijken moet?" Haar arm schokt een beetje. En ze kijkt toch weer van dichtbij naar hem. „Dat er wat is, dat je kwaad wil doen — dat je al kwaad gedaan heeft, en dat er haast — haast wat van een lidteeken is in je oogen." Ze zegt niet: „Gek, hè?" Want ze weet vooruit dat Gabe het ook niet gek vindt. „Ja?", zegt hij stil, „ja?" Maar hij moet nou wel diep ademen. „Gaan we er over praten?" Er glipt wat beverigs door hem heen. Maar hij wil zijn borstkas uitzetten en weten dat hij sterk wordt, en zijn spieren voelen, harde taaie spieren!

De zwarte avond-boomen zouen ook wel in die knoestige dikke takken van die harde sterke spieren kunnen hebben, er zou nou ook wel een levend hart in die gladde en gebarsten lijven van de boomen kunnen zitten. In het mulle groene pad, waar ze op loopen, is dat ook, er leeft wat in, er wordt wat wakker in de grond. „Het voorjaar?", denkt Gabe, „zou ik dat voelen in de grond en in de boomen?"

Het nauwe van die dag laat hem dan heelemaal los, ook van binnen. Hij begint te praten of hij opademt. Hij praat als een die pijn heeft en die opeens geen pijn meer voelt. „Ik kan nou nooit meer over de menschen denken, als eerst — zeg Aaike, ik — ik denk ook niet in me-zelf — maar jij — jij denkt in me, ik weet het anders niet, anders weet ik het niet, née . . . Ha, Aaike!, zeg ik soms, dan denk ik ergens over. De baas ook, nou legt hij het weer aan met Mijntje Koot en eerst was het die dikke Sien van „De doornstok". De baas is ook wel erg alleen, denk ik, nee, dat denk ik niet, dat zeg jij