is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

materiaal en plantenkuipen en rietmatten. „Probeer het maar 's", zegt hij tegen de baas, „er zit nog wel een aardig mazzeltje an." De zon slaat uit zijn oogen en uit zijn lach en uit zijn rood sterk gezicht. „Je ken het zachts probeeren!" Hij maakt alles voor de baas in orde, hij bedenkt allerlei nieuwe dingen voor de zaak. Hij doet ook bestellingen voor de baas. En een bende dingen levert hij zelf, daar verdient hij niet aan. Hij doet het om niet, hij doet het uit broedertrouw. Zijn vrouw brengt hij ook mee — deze keer. Het is een vrouw als een mooie glanzende melkkoe, blank en breed, een vrouw als een tuin vol goeie aarde, die aan alle kanten bloeit. Ze lacht tegen Gabe, ze is ook nog al praterig en ze maakt schik met de baas. Ze is nog jong, en ze heeft al vijf kinderen. Haar man neemt in de grutterij transport-bestellingen aan, en hij glundert van zijn kruin tot zijn voetzolen: hij zal een partij brandhout vervoeren, hij is aan het sjacheren over een verhuizing, verhuizingen doet hij ook, hij zal een partij mangelwortelen naar Gorst brengen, hij onderhandelt met een man over de aankoop van een rest Eckendorfer — het staat hem best aan, hij ziet er wel wat in. Hij wrijft in zijn handen. En de baas gniffelt onderhand met zijn vrouw.

En om alles heen staat de zon en de voorjaarslucht. En om alles heen, staat Aaike ook. Dat is zoo'n wonder. Er komt wat van Aaike op hem af in elk ding, in allerlei kleuren, in elke reuk. Er glinstert wat van Aaike in de fijne knop-puntjes van de voorjaarslinde op de binnenplaats, en in het zonvak van de open voordeur. En er glimlacht wat van Aaike in het goeie kijken van

Een Menschenhart —14