is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Juffrouw Gees . . . Maar er is ook wat van Aaike in het suizelen van de voorjaarswind en in de waterreuk van de trekvaart en in de aardreuk van de omgespitte akkertjes, en in de lange smalle bladen van de rietbiezen en in de aardige magerheid van de jonge struiken en in het zachte blinken van het speenkruid. „Aaike — het is overal Aaike."

Altijd staat Aaike ergens, Aaike die er zoo vaak niet is — ja, die is er toch altijd. Ze keert haar kleine gezicht naar hem toe, de zon glanst op haar kin. Ze steekt haar kleine goeie handen al een beetje uit — als ze naar hem toe komt, en ze lacht, ze lacht helder, zooals een kind lacht, en haar hoofd houdt ze achterover en haar kleine witte tanden glinsteren. Ze stoeit met hem. Ze drukt zich tegen hem aan . . . Soms moet Gabe wat verlegen om zich heen kijken. Och, nee, hij is — maar alleen!

In de schemer 's avonds dan stoeit hij toch wel echt met Aaike. Hij doet of hij haar van dat smalle paadje in Berkenhart wil afduwen. En zij duwt terug. „Jongen, wat ben jij sterk", ze hijgt er van, ze is rood tot in de wortel-rand van haar haartjes, haar oogen blinken als kinder-oogen, grappig-stijf bijt ze haar kleine tanden opeen. „Overgeven — nóóit, nooit geef ik me over!" Ze moet het toch altijd verliezen! Maar dat is ook wel goed. „Een man", zegt Aaike, „dié moet de sterkste wezen."

Op een keer zitten ze ook weer in dat lange wilde gras van de buitenwal. En Aaike beweegt gedurig haar voeten, verlegt gedurig haar handen — leunt achterover, leunt voorover, kijkt achter zich, kijkt omhoog,