is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem ook te voorjaarsachtig — waar zit het in, dat de sterren zoo zijn? — en de wind ruikt hem te veel naar sappig lente-groen. Hij kijkt haast bang naar de open blad-knoppen, er komt een reuk uit die van Aaike is. „Nou wordt het waarachtig al een jaar", denkt hij, „een jaar al dat we voor het laatst achter de tuinen langs hepen in de motregen en dat we daar op het perron stonden, en dat Aaike zei: ik kom terug. En dat ik „Vrouw" zei en me vingers opstak en nog schreeuwde dat ze schrijven moest . . . En haar handen grepen nog naar me uit de verte." Die ontzettende ijzige verwondering is er weer, de verwondering die hem koud en kapot maakt. „En dan hoor je geen woord meer. Dan is het of de aarde ze verslonden heeft. En dan word je nog niet eens gek. Je kan nog altijd gierst verkoopen en rijst afwegen, en geld wisselen en doen of je leeft, eten en drinken en af toe slapen . . ." Hij zou met zijn zakmes wel een snee over zijn handen willen geven, over zijn polsen, hij zou zich willen schroeien aan een vuur. „Houdt dat dan nooit meer op — dat allemaal?" Hij zit ergens en luistert naar de pijn in hem tot het hem te veel wordt, en dan moet hij opstaan — dan staat hij op of hij weggestuurd wordt. En hij weet niet wat goed voor die pijn is, wat die pijn draaglijk kan maken.

Hij wil naar dat kleine grijze huis kijken op het Armgartsverlaat, het staat nog altijd leeg, hij zou daar in dat kleine verwilderde grasveld willen zitten, achter de keuken. Aaike heeft daar ook gezeten. Aaike speelde er met de kinderen. Aaike deed er haar naaiwerk. Hij zou ook wel graag willen kijken in dat berghok, waar