is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denken. „Ja, hoe is het daarmee?, hoe is het daar toch mee? Als er weer 's wat geweest is, met die twee, dan moet ik het toch gehoord hebben?, ik mafte toch niet als ik zat te eten?, ik mafte toch niet?"

Hij stopt zijn pijp en hij gaat rookend het café in. „Koffie hebben?", vraagt Roelien dadelijk. Hij wou als van ouds bij de vogelknip gaan staan. Nou moet hij wel bij haar gaan zitten, op dezelfde plaats waar anders Sander Siegenbeek zit. Hij ziet de kerels weer wat beter: ze grijnzen. Hij vat ook wel waarom: „Zoo'n braaf kommetje koffie." „Ik tap zelf wel een potje bier in", zegt hij. Roehen glundert als een opgewreven ster-appeltje. En Johannes doet of hij dood-verbaasd is. Johannes neemt de pijp uit zijn mond en steekt hem er ook weer in. „Jij — bier?" De kerels grinniken. „Och ja", Gabe staat al op om een glas te pakken, „voorloopig — om twaalf uur begin ik met een lading jenever.' ' Hij staat in de tapkast en de bierpomp proest als van ouds. „Kastelein", denkt hij, „als dat toch ooit me voorland was . . ." Geduldig zit hij dan achter dat potje bier naar de kerels te kijken, het zijn temet allemaal andere lui dan een tijd terug, Melvius de stukadoor, en een paar mannen uit de Scheeve Baanstraat met trijpen roosies-pantoffels, meerschuimen sigarenpijpen en dikke jenever-neuzen. Gips de brievenbesteller komt ook. Gips die heeft een nijdig ratten-gezicht, een vooruitstekend smoeltje, loer-oogen en dunne snorharen. Maar hij draagt een fijn opknapperspak en hij rookt een fijne sigaar. Eerst doet hij bij de deur of hij zoo weer rechtsomkeert wil maken. En hij kijkt gek. Hij trekt zijn wenkbrauwen