is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik vraag er toch wéér naar", denkt Gabe, „ik wil van alles vragen, en — en mee praten en luisteren — om niet allemaal hetzelfde te denken — niet allemaal hetzelfde." Maar uit zijn dunne platte portemonnee met het zijvakje, haalt hij weer het trouwpapiertje met de bleeke inktlettertjes: „Ik zweer trouw. Ik zweer bij mijn ziel en zaligheid dat ik terugkom."

— De eerstvolgende Zaterdag dan komt de baas zoo langzaam uit zijn kantoor, dan komt hij toch zoo langzaam — treetje voor treetje — die kleine trap af naar de grutterij. Allerlei dingen zijn er opgeruimd en weggehaald die week, ook een hoop oue meubels, ook nog een restant zaai- en vogelzaad, ook nog een beetje grutterswaar. En de bakken van de grutterij zijn nou zoo goed als leeg. De baas kijkt er altijd maar weer naar als hij er langs loopt, hij kijkt er naar of hij daar een overledene ziet, eentje die al gekist is. Dat doet hij nou ook. En hij grijpt naar zoo'n leege bak of hij er zijneigen aan vasthouen wil, hij glimlacht bleek. Bij Gabe houdt hij stil. Hij gaat met zijn rug naar de traliedeuren toe staan. „Jongen", zegt hij, „ik heb je zoo lang gehouen als ik kon, nou gaat het niet meer, nou is het uit, me jongen: het hooi is op en de koe dood, het is afgeloopen — kijk . . .", hij legt twee weken loon voor Gabe neer, „dat kan je nog krijgen. Misschien komt je meer toe. Maar meer kan ik je niet geven. Je hebt het toch ook wel gedacht, hè jongen?, ik schei er mee uit, ik móet er uitscheien. Ik ga bij mijn zuster inwonen te Nijehorstveen." Gabe knikt en hij knikt nog 's weer. En hij zegt: „Ja baas, ik dacht het al, het valt me niet koud op me lijf, ik dacht het al." En hij