is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen af. Net als van-ouds komen de vrachtlui binnen, jonge kerels zijn het nou meestal. Ze dragen geen pakken van koordfluweel meer en geen petten met kwastjes, maar ze dragen vlotte jekkers en zwierige deukhoedjes. Gabe kent ze stuk voor stuk: Beugers van Twullik, en Ep Leithorst van Guttering en Hobbe Dorst van Reins. Ze loopen Johannes voorbij met een armzwaai en met zoo'n geluid of ze hun paard aanzetten: „Euh-ol-ela." Ze praten met Gabe. Ze hebben het over een voetbalwedstrijd — een kampioen-zwemmer . . . Johannes staat er bij of hij denkt: „Wat is dat nou voor flauwe kul?" Hij mokt doorloopend een beetje. Hij draagt zijn ouderdom of het een pak oud roest is. De vrachtlui hebben het ook over hun diensttijd als militair, het kazerne-leven. „Jij hebt geboft Frowijn, met je vrijstelling." Ze zeggen ook wel „kastelein" tegen Gabe. „Dus toch", denkt hij, „toch kroegebaas." „O ja", zegt hij, „ik bof zeldzaam, een bofkont bèn ik!" Het is of hij alleen maar door een nevel omkijken kan in de tijd die achter hem ligt. „Ja, ik had een vrijstelling, ja . . Veel weet hij er niet meer van. Wat moet hij er ook van weten? Hij heeft nog wel gedacht: „Kon ik maar soldaat worden — kon ik maar 's in een heel andere omgeving wezen." Hij heeft ook gedacht: „Beter van niet. Als Aaike hier dan loopt te zoeken en ik ben hier niet . . ." Maar dat alles is toch al zoo ver weg. Hoe is dat alles geweest?, en wanneer? Hij heeft de jaren vergeten. Er was een tijd dat de pruimeboomen hun witte bloesems droegen als een kroon. Er was een tijd dat alles goud en groen was onderweg. Hij heeft er naar gekeken — en hij zag dat er een pijn uit te