is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeker gemeen, als ik dat doen!" Annet fluistert — ze fluistert graag als ze met hem alleen is. „Wil je nog wachten?, wil je toch nog wachten?, is het waar dat je altijd nog denkt — nog hoopt dat dat meisje van — van die oue liedjes terugkomt? Ze kan toch ook . . .?, óok . . .?, kan toch . . .?" Ze wil zeggen: „Dood wezen?" Ze zegt het niet. Hij begrijpt zoo ook wel, begrijpt haar toch evengoed. „Voor mij is ze dat toch niet — voor mij maakt dat eigenlijk geen verschil." Annet die doet dan of ze weggaan wil. „Oh!, nou — dan ...!" Hij grijpt toch weer naar haar. Zijn gezicht betrekt of hij het koud krijgt, of hij een begin van hoofdpijn voelt opkomen. „Ik moet er tusschen uit", denkt hij. Hij staart toch nog van dichtbij in Annet Toedoer's warme verlangende oogen. Zijn vingers zijn toch weer gevangen in de weeke nijpende buiging van haar arm. En ze lacht zacht, nee, het lacht zacht en diep in haar keel, het beweegt daar of ze drinkt. Ze zegt „Gabe", of ze er haar tanden in zet, ze zegt „Gabe", of ze wat heerlijks proeft op haar tong. Ze zou nu dadelijk bij hem willen slapen. Ze zou in zijn bed willen zijn. Maar ze moet hem toch eerst nog loslaten, ze móet wel of ze wil of niet — het kan niet anders: ze staat nog wel dicht bij hem, maar ze laat hem los. Want Sander Siegenbeek is binnengekomen. En Sander die komt op hen toe met stramme stevige stappen, met ellebogen die iets opzij willen stooten, met zijn handen in vuisten genepen aan de rand van zijn broekszakken. Sander die komt op hen toe of hij knoestig en breed tusschen hen door wil loopen. Annet doet een paar pas terug. En Gabe is al bij de achterdeur. „Besjoer Sander." Hij gaat de straat op of hij vlucht.