is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kind — die leeft niet, die denkt alleen maar dat hij leeft, maar hij leeft niet, hij is een dood stuk hout — een ding . . . Het kan wezen dat hij voor zijn Moeder wat is, voor zijn Moeder of voor een of ander ongelukkig mensch, maar anders — anders heeft hij geen reden van bestaan." Als het nog zoo met hem was dat hij schrikken kon, dan zou hij noü schrikken. Het is of er een met houten vingers op zijn rug klopt. „Allemachtig", schiet het door hem heen, „Sander!" Hij kijkt om. Het is Sander ook. Sander die staat daar als een boschgeest, grauw en oud en dun, een gezicht met witte haarslippen en ronde ooggaten. „Ja Sander?" Sander mompelt: „Je staat er te dicht op — met je gezicht. Je denkt niet an de straat. Je vergeet de straat heelemaal. Je vergeet nog meer . . ." Hij schudt zijn oue kop. Hij beduidt hem met een gebaar, met een handbeweging dat dat niet goed is. Hij wenkt hem — hij moet meegaan — moet doorloopen. „Wat is er toch Sander?", Gabe die gaat niet onwillig mee, „zeg me nou toch, wat is er . . .?" „Er is", zegt Sander, „dat je al zoo lang gewacht hebt — jij, wacht nou nog maar een tijdje. Je kan nooit weten waar het goed voor is, wacht nog wat — dat is alles. Jij kijkt niét als — als een kunstschilder naar die vrouw daar. Jij kijkt niét als een dokter naar Annet Toedoer. Je kijkt als een man — als een die het heele leven wel mee wil nemen naar zijn bed, onder de wol, om er genot van te hebben, om er kinderen uit te verwekken, en daar moet je toch nog èffe mee wachten, dat is alles — dat is alles." En dan gaat Sander alleen verder. Hij wil alleen verder gaan. Gabe pakt zijn arm nog beet. „Sander, doen niet zóo ge-