is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heimzinnig, Sander, zeg op nou, als je wil dat ik dat ik wachten zal . . Maar Sander trekt zijn arm los. „Och wat!, hangt dat van mij af?, van mij . . .?" Hij gaat alleen verder. Hij heeft gezegd wat hij te zeggen had. Voorloopig komt er geen woord meer! Hij gaat weg, gaat ergens anders heen . . .

Maar Gabe die zit op zijn beurt achter Sander aan. Hij zoekt hem hier en daar, hij wacht hem op, hij loopt naast hem voort, hij zit bij hem, en hij kijkt hem de woorden uit de mond. Hij brengt het gesprek op zijn Moeder. En hij zegt opzettelijk dingen die tegenspraak willen uitlokken. Hij maakt vage zinspelingen — zinspelingen in het wilde weg. Hij stelt een onnoozele vraag die toch listig is . . . Maar Sander die laat zich niet vangen, Sander die wil niet uitgehoord worden, wil niet praten, als hij er nog niet aan toe is. Hij wil niet eens aangesproken worden. Hij wil niet eens dat Gabe hem strak aankijkt. Hij wendt zijn gezicht af, draait zijn gezicht naar de wand toe, gaat met zijn rug naar de menschen toe zitten. Gabe ziet toch op de een of andere manier zijn gezicht — de uitdrukking van zijn gezicht. Hij staat buiten, hij gluurt door het raam naar Sander. Hóe ziet die Sander er dan toch uit? Hij ziet er uit als een man die naar een opdracht luistert — een man die bezig is een opdracht uit te voeren.

Johannes die lijkt dat alles te ontgaan. Johannes die heeft alleen maar erg in Annet. „Denk er om", zegt hij op zijn smoezende oue-mannenmanier tegen Gabe, „dié wordt ontevreden, die is al niet meer als gisteren en eergisteren, die legt er zoo meteen nog het bijltje bij neer." Zijn stem schiet ook nog even uit. En zijn onder-