is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nes raakt heelemaal zijn suffigheid kwijt. „Ze wil je, zeg ik je!, je mag van haar, oliekoek, je mag — ze wil jouw vrouw worden. En dat is een endje fijnigheid voor jou alleen, een eenmans-roomtaart, dat is een vette sjeuïge prak voor jou alleen en dat is een uitkomst voor ons tweeën. Want wij kennen geen helpster bekostigen! Als zij de hakken in de wal trekt, kennen wij op een houtje bijten, kennen wij hier omkomme in ons eigen vuil. We kennen er redelijk goed van eten, en een stukkie kleeren kennen wij óok nog wel bekostigen, maar verder strekt dat niet . . . En dat geeft nou ook niks, want Annet die is hier, wij kennen uit pure liefde een vrouw-in-huis krijgen, eentje die onze kamers schoonhoudt en onze bedden, en die ons potje kookt, en die in het café bedient en die me nog an een kleinkind helpt. En het doet er dan verder en voor het oogenblik niet toe dat het wat schraal in de zaak is. Alle tijen hebben weertijen. Wij bloeien ook wel weer op. Bols en Hulstkamp die houen het wel uit in de wereld. Maar laten we dan ook profïiteeren van dat gelukkie van die Annet, een vrouw die de Duitsche taal praat, en haar diploma het, en haar eigen brood verdienen ken — en die jóu hebben wil, en die mij na de eisch van de geneeskunde verplegen ken als ik bedlegerig word. Wat zal je dan nog wachten?, waar wacht je dan nog op?" Johannes krijgt een hoestbui, hij heeft adem-nood, hij komt adem te kort. Hij zakt weer in ook, hij is heelemaal öp van al dat praten. Gabe zegt: „Ik wacht op —Aaike Brunt, Vader, weet je wel?, weet je nog?, Aaike . . ." Johannes wil dat wegmaaien met zijn arm. Nee, dat kan hij nou niet meer. „G-gek", ziedt hij krachteloos, „drie-dubbel-