is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door-gefoerneerde g-gek!" Hij loopt purper-rood op in zijn kop, in zijn nek. Hij slaat toch ook zijn oogen neer, hij kan niet hebben dat Gabe hem in zijn oogen kijkt.

— Dat is pleizierig: dat lange schuine glijen van de stortregen, het ruischt langs de open deur, het klokt in de goten, het zingt op de dakpannen. De regen slaat gaten in de aarde en de aarde gaat open als in wellust. Geuren trekken heen en weer door een schoon-gewasschen stad, zoete geuren, en bittere en frissche . . . Gabe zit met de krant op zijn knieën, maar hij leest er niet in, hij rookt zijn pijp, maar hij trekt maar matig aan het mondstuk. Het is stil in het huis, het is nou wel erg stil in het huis. „Ben ik ooit zoo alleen geweest?", denkt hij. Hij zit niet in de deur aan de straatweg, hij zit in de vogelknip. Hij wil wat groens zien, hij wil zien hoe het voorjaarsgroen in de regen staat te knikken. Hij wil de regenplassen zien, de groote regenplassen die als kleine vennetjes zijn, hij wil de springputjes zien die de regendroppels tikken in het rimpelige water, de kringen en de bellen, en de diepe gaatjes, hij wil de lucht van de aarde inademen, de voorjaars-aarde met het speenkruid en de vlammende crocusjes, hij wil nog 's weer in zijn gedachten zien, hoe een kleine Aaike Brunt bij een paar pollen met sneeuwklokjes neerhurkt. „Wat zei ze ook? Ze hield er haar vingers om heen of het vlammetjes waren . . Hij denkt aan wat anders ook — hij blijft haar toch zien, over de aarde gebogen: een hoofdje met gouen haartjes, de plooien van haar kleeren in ronde vouwen om haar schootje heen. En dan denkt hij aan Annet Toedoer. „Dié is van de aarde weggemaaid, al woont ze dan ook in het Luitgarde-hof vlakbij." Hij