is toegevoegd aan uw favorieten.

Twaalf vertellingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofd en om 't niet te hooren liep hij maar al verder en verder, heuvel op, heuvel af, de bosschen in. De morgen begon te schemeren, hij werd 't nauwelijks gewaar. Eerst toen de zon, een bleek-gouden winterzon, van achter de heuvels uitsteeg tusschen rozige wolkstrepen door, stond hij stil en vroeg zich af, of alles niet een kwade droom was geweest. Maar hoe kwam hij dan hier, zoover van huis, zoo vroeg, zoo zonder pet of duffel? En, en... dat wist hij zeker, met de pijp aan had hij de korenschoof weggehaald. En de brand ?... O lieve God, al ging nu ook de zon op, alsof 't voorjaar was, met eigen oogen had hij de vuurzee gezien, met eigen ooren het geknetter en het loeien van de vlammen gehoord, het kraken en daveren der stemmen van de mannen...

Op dit oogenblik vloog er een houtduif klapwiekend uit de takken op en meteen een meezenpaar uit het kreupelhout. Van overspanning en ellende schoten Drikus de tranen in de oogen, toen hij zoo opeens weer aan z'n Kerstschoof moest denken, aan de vogels op den berg, aan z'n eigen huisje... En opnieuw zoo n steek in z'n hart... Als eens -— MariaJoos, 't was zoo goed als zeker — vonken van den brand op zijn strooien dak— en ook zijn goed oud huisje opgegaan in vlammen... niets er van over...