is toegevoegd aan je favorieten.

Twaalf vertellingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alles wat daar los en vast reilt en zeilt onder het afdak. Ze zijn met tienen, met twaalf. Ze hebben de overmacht tegen één, en joelen tegen Adam, die daar, om de wijding van z'n Paaschvuur te redden, radeloos met z'n gaffel staat te zwaaien : „We helpen je immers blusschen, ouwe ?" En als hij al harder dreigt en raast en scheldt, zij aldoor brutaler : „Gek ! Groote gek ! Brandstichter ! Vonkelaar !"

Aldoor die ééne stem, rauw en woest, boven alles uit, aldoor één bij alles vooraan. En die komt nu met heel de deur van den intree aansleepen, zet ze rechtop, en smakt ze boven op de vlammen, dat de gloed in één oogenblik uitdooft...

„Vlegel!" schreeuwt Adam Daniëls heesch, woedend als nooit. „Onbeschaamde bandiet! Wat heb je hier te doen, jij en je bende? "... Hij trappelt en briescht, getergd tot het uiterste, en slaat in 't blinde weg met z'n gaffel.

'n Krijsch dan, zóó hard, dat het als een noodschreeuw over dal en heuvel galmt. De raddraaier tuimelde bijna om, grijpend naar z'n hoofd, maar staat al weer op z'n voeten, en vliegt razend op Adam aan. „Die zet ik je betaald." Een vloek, die Adam doet ineenkrimpen, terwijl de anderen, tot bezinning nu 't ernst wordt, hem den duvel van 't lijf trekken : „Vos,