is toegevoegd aan uw favorieten.

Twaalf vertellingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dik op z'n schouwmatje onder de platte pijp, kijkt de welgedane wollig-rosse kater, hoe ze haar spiegelblanke Brabantsche potkachel oppookt. Het ingerekende vuurtje vlamt al op,

„Ja poes — lekker warm — en de kerstkaarsjes aan. Alle lichtjes weer in je oogen. Je zult eens zien, hoe prachtig."

Neeltje, kindervriendin vanaf haar jonge jaren, is gewend met haar poes als met een kind te praten, en gedachten te lezen uit die raadselachtige wijze, wisselkleurige, flikkerlichtende, allesziende tijgeroogjes. „Zou je meenen ? Ook een poes bij het kribbetje ? Evengoed als een os en een ezel ? Alleen omdat poesen zooveel van de menschen houden en menschen van de poesen ?"

Maar al gauw vergeet ze de heele poes. Omdat ze zelf haar kerstkaarsjes zoo prachtig vindt. Twintig wel. Elk jaar een paar meer, omdat ze 't elk jaar al beter betalen kan. Op een rooden lap vlaggedoek, heel het latafelblad vol, met het kribje in 't midden, en Maria en Jozef, en de herders, en de drie Koningen, en os en ezel, en lammetjes, een herdershond en een kameel. Op eiken hoek een engelbeeldje. En tusschen alles in de kaarsen en kaarsjes, op glazen en tinnen en blikken kandelaars en luchtertjes, groote