is toegevoegd aan uw favorieten.

Het witte doek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erg gebeurd, 't Kind liep vooruit en was al op het gras, voor ik het wist."

„Is mevrouw niet van hier?" vroeg de agent ongeloovig. Toen genadig: „Nou, dan zal ik het voor dezen keer door de vingers zien, maar u is gewaarschuwd."

Als uit den grond gerezen stonden plotseling eenige straatjongens om hen heen; ook op den weg bleven een paar menschen stilstaan. „Kiek 's jonges, doar worden 'n paar Indianen op ebracht!"

De agent wuifde de belangstellenden weg, tikte aan zijn helm en stapte met statigen tred verder.

De „Indianen" liepen vlug voort langs het water. Beiden zwegen langen tijd. Eindelijk zei Emy met een benepen stemmetje: „Die meneer was niet aardig, hè Mamma! En waarom zegge die kindere Indiane tege ons?"

Maleen lachte. „Dat is niks", zei ze vroolijk. „We zijn een beetje bruin van de Indische zon, dat vinden ze vreemd."

Ja — vreemd. Datzelfde woord had ze zooeven ook gebruikt. Ze was — vreemd in haar eigen, lieve, oude stad.

Die gewaarwording, plotseling tot uiting komend in dat eene woord, drukte haar stempel op den heelen verderen dag, hoezeer Maleen ook poogde dat gevoel te verdringen.

Emy was het gebeurde reeds lang weer vergeten en huppelde blij vooruit langs de kronkelende paden. Nu naderden zij het ouderlijk huis.

Daar hingen onbekende gordijnen, een andere naam stond op de deur. Geen vroolijk, ruigharig hondje sprong hen keffend tegemoet. Even bleef Maleen staan en wees Emy van buiten de kamers. Toen — een beetje triest — trok ze het kind mee en vervolgde haar weg van herinneringen.

„Kijk, dat heele groote huis, dat was de school van Opa. Daar ging hij alle dagen heen. Tante Stance was hier bij Opa op school. Ik zal je opbeuren, dan kun je naar binnen kijken in Opa's werkkamer."

Het kind klauterde in de hooge vensterbank.

„Wat zie je?" vroeg Maleen.

„O-o, daar zit een meneer aan een tafel", zei Emy verlegen. „Hij kijkt naar me, hij doet zóó met z'n vinger."