is toegevoegd aan uw favorieten.

Het witte doek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te onthouden, door welke onzichtbare gevaren en bedreigingen men eigenlijk voortdurend omringd was. Daar waren de wel zichtbare bruintjes toch heel onschuldig bij.

Mevrouw Versprong was eenige jaren geleden tot de roomsche kerk toegetreden. Als ze dit niet zelf verteld had, zou Maleen het niet hebben geweten. Nu interesseerde het haar heel bijzonder, temeer, omdat je blijkbaar een vast omlijnd geloof kon hebben en daarbij nog allerlei andere opvattingen huldigen.

Voor het eerst begreep ze het woord bij-geloof.

Maar wat hield het woord „geloof" dan in? Ze vroeg er mevrouw Versprong naar, maar werd er niet wijzer door en nam daarom maar dankbaar wat lectuur in ontvangst om er wat uit te leeren, naar ze hoopte.

Voor het eerst ging ze nu ook letten op de personen van dominee en pastoor, die ze wel eens tegenkwam. Zou ze bij hen misschien haar licht kunnen ontsteken? Mocht je niet eindelijk in je leven een bevredigend antwoord verwachten op de groote vragen: waarom en waartoe?

Aan Juul Krafft had ze eens gevraagd: „geloof je aan een God, een persoonlijk God?" Juuls antwoord over het Godswezen, waaruit alles emaneerde, had haar niet kunnen bevredigen. Zoo machinaal leek die theorie. Zij voelde behoefte aan een „Vader in den hemel".

Een „Vader in den hemel" vond ze ook in mevrouw Versprongs boeken niet. Daarin kwam veel voor over penitenties, die haar eerder afschrikten dan aantrokken. Was God zóó, dat Hij dergelijke zelfkwellingen kon verlangen? Het leven was al moeilijk genoeg, moest je het dan opzettelijk nog moeilijker maken?

Dan bestond er ook nog het spiritisme, waar ze als meisje al van had gegriezeld, hoewel de geheimzinnige openbaringen haar aantrokken. Ze kende menschen, die er zich geregeld mee bezig hielden en haar hadden uitgenoodigd aan een séance deel te nemen. Dit had ze beleefd geweigerd, want alleen reeds de lezing van hun blaadje bezorgde haar kippevel. Als ze tot diep in den nacht nog zat te corrigeeren, durfde ze vaak niet opzien van haar werk, vreezende van achter de gesloten portières gestalten te zullen zien verschijnen.

Al zou ze niet kunnen ontkennen, dat er inderdaad verbinding

Het witte doek

16