is toegevoegd aan uw favorieten.

Het witte doek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kijg Osje nou katjang? Osje lief, Osje sjoet!"

Het alleen zijn viel de eerste weken niet mee. Maleen moest er eerst aan wennen weer — als vroeger — zelf het roer in handen te hebben, ook in die zaken, die een man gewoonlijk regelt.

Spoedig echter ging alles op rolletjes. Op Emy's mager gezichtje verscheen vaker en vaker een lachje en de vreugde was volkomen, toen op een laten avond, geheel onverwacht, nichtje Katja kwam binnenvallen met fiets en bagage en het dringend verzoek, toch ,,als-je-blieft" te mogen blijven. —

André had bij zijn vertrek naar Engeland twee van zijn kinderen: Katja en Loek achtergelaten om ze een geheel Hollandsche opvoeding te geven. In de groote vacantie waren de nichtjes dikke vriendinnen geworden en nu hun kosthuis Katja steeds minder aanstond, was ze op een avond naar tante Maleen toegekomen.

Het meisje voelde wel, dat haar handelwijze niet in orde was.

"Maar blijven kon ik toch heusch niet, Tante, praat u maar zelf met mevrouw. Heusch, dan begrijpt u het wel."

Maleen begreep het inderdaad. „Maar kind, je moet niet denken, dat je van mij nooit een standje krijgt. Bovendien moet je je kamer met Emy deelen."

„Als ik maar blijven mag", zei Katja voldaan.

Zoo had het huishoudentje met het dienstmeisje er bij zich al uitgebreid tot vijf personen. Alle kinderen kregen een taak. zoodat Marie, eerst knorrig over het aangroeiende werk, spoedig tevreden was gesteld.

De maaltijden waren de aangename onderbrekingen van school- en huiswerk, waar pretjes en verdrietjes werden besproken en de boterhammen niet waren te tellen, die spelenderwijs naar binnen verdwenen.

Na tafel kwamen bijbel en dagboek te voorschijn. Op Josje werd onder het voorlezen ongemerkt acht geslagen, 't Werd tijd, dat ze er meer van leerde begrijpen. Ze keek wel aandachtig en wist zonder haperen de laatst gelezen woorden te herhalen, maar je moest toch telkens een steekproef doen om te weten, of ze goed geluisterd had en er misschien iets van wist na te vertellen.

Op een keer luidde de dagtekst: „Want alwaar het doode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden".