is toegevoegd aan uw favorieten.

Het witte doek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenige dagen later kwam Stance en gingen de tijdelijke bewoners weer terug naar eigen woningen.

* *

*

Zoetjes aan was het najaar geworden van een prille pracht, die aan vroeg voorjaar deed denken en niets scheen te weten van ziekte of dood.

Maar daarginds op de Veluwe was Moeder al weken gebonden aan huis. Tijden van schijnbaren vooruitgang wisselden af met perioden van inzinking en pijn, waarna ze iederen keer wel opstond om haar plaatsje voor het raam op te zoeken, maar telkenmaal zwakker.

Dapper verdragend de hevige pijn, die haar, tot bezwijmens toe, afmatte, had ze toch het leven nog lief, hoe weinig dit haar nog bood. —

Het was nog heel vroeg in den morgen, Moeder was al op van haar bed op den stoel — en keek naar de bijna kale berken, welker geplekte stammetjes hel oplichtten tusschen de donkere dennen. Het stond er vol boleten en eekhoorntjesbrood, meende Moeder stellig te zien. Hoe prettig zou 't zijn, daarvan een mandje vol te laten plukken door jonge handen, terwijl zij aanwijzingen gaf. Maar ze had de geliefde ritjes in het duwwagentje reeds lang moeten opgeven. Moeder was moe, — onuitsprekelijk moe.

Haar nu bleek-blauwe oogen in het witte gezicht keken verlangend naar al 't mooie daar buiten en terstond weer vriendelijk naar de deur, toen die open ging en Jetje binnenkwam met de morgenthee en het beschuitje.

„Dag Oma-tje", klonk haar frissche stem. „Heeft u lekker geslapen? En heeft u trek in een verrukkelijk kopje thee? Zal ik de gordijnen nu maar heelemaal open schuiven? 't Is prachtig weer."

„Dank je wel, Jettekind", zei Oma-tje mat. ,,'k Zal niet vaak meer van je lekkere kopjes genieten", en toen, haar bezorgd gezichtje ziende: ,,'k Was wel héél moe vanmorgen, maar 't zal straks misschien wat beter worden."