is toegevoegd aan uw favorieten.

Amok...

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houding aan een njai 1) overliet. En dat zou, volgens de begrippen, die ik er als baar 2) op na hield, wel het summum van degeneratie zijn geweest. Later ben ik dat wel een beetje anders gaan zien en zouden juist de enkele sporen van huiselijkheid mij aan een njai hebben doen denken.

Maar Wim helpt mij zelf uit den droom.

„Gezellig wel, die binnengalerij, hé?"

„Ja-ja."

„Die heeft Non zoo n beetje voor me ingericht." „Zóó?"

„Ja, ik ben héél goed met haar."

Vlug kijk ik Wim aan. Wat bedoelt hij met deze opmerking? Maar ik kan zijn gezicht niet zien. Hij heeft zich naar een inlander gewend, die, eerbiedig gehurkt op het achter-erf zit.

„Ja, ik kom direct," hoor ik Wim zeggen. En dan, mij vriendschappelijk op den schouder slaande: „Kerel, maak je lekker hoor — ga mandiën 3) steek je in een pyama en wacht op mij in de voorgalerij. De baas moet mij even hebben, maar ik ben gauw terug. Dan volg ik je voorbeeld en gaan we rijsttafelen — héél op ons gemak. We zitten wel midden in den maal-tijd, maar voor het bezoek van een ouden sobat4) moet alles wijken. O ja, hou-je van rijsttafel?"

!) njai = inlandsche menagère, huishoudster.

2) baar = afgeleid van het Maleische „baroe" = nieuw. Dus: nieuweling, iemand die pas in Indië is.

3) mandiën = Indische wijze van baden, door overgieting met koud water.

4) sobat = vriend.