is toegevoegd aan uw favorieten.

Amok...

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

losgerukt — met van haat fonkelende blikken ziet ze Wim aan. Dan heeft Hugenpoth zich tusschen Non en Hoogerbeets geplaatst: „Wilt u mijn verloofde met rust laten, mijnheer Hoogerbeets.'

„Jouw verloofde? Schoft dat je bent — Non is van mij — van niemand anders." Hij heft zijn hand op en balt zijn vuist om zich op den jonkheer te werpen. Maar bliksemsnel heeft deze Wims arm gegrepen en dien éven omdraaiend zegt hij: „geen dwaasheid, hé?"

„Vooruit — doorloopen," fluistert van Someren heesch, „geen scène." Maar van alle bezette tafeltjes zijn de menschen opgesprongen, nieuwsgierig en om Wim tegen te houden. Het schuim staat hem op de mond en als Non, van Someren en de jonkheer doorloopen, rukt hij zich los — maar wij, Lastman en ik, grijpen hem en houden hem, hoeveel moeite het ons ook kost, stevig vast. Toch sleept hij ons mee in de richting van van Someren's paviljoen. Hij is ontzettend nerveus en ik ben blij, dat Lastman hem den revolver afgenomen heeft.

Dan barst hij in tranen uit. —

Buiten staat de hotelmanager, die tegenover Non en haar vader handenwringend excuus maakt over iets, waaraan hij niets kan doen. Hugenpoth is verdwenen.

„Kom Wim," fluister ik, „ga mee."

Maar opnieuw rukt Hoogerbeets zich los — nu is hij bij Non en met tranen barst hij uit: „Non — Non -— luister toch — vergeef mij — ik ben toch van jou, zeg toch, dat ze je dwingen, dat je niet wil, wat zij van je eischen."