is toegevoegd aan uw favorieten.

Amok...

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X

In de eerste dagen — het zullen wel weken zijn

— na Lotte's sterven heb ik niet wat men noemt: verdriet. Ik leef, als in een droom. Officieel ben ik met ,,binnenlandsch verlof", maar ik ga gewoon naar bureau — en niemand zegt er iets over. Of ik gewerkt heb, weet ik niet: eigenlijk weet ik niets van dien tijd — ik ben verdoofd, versuft. Ik doe ook niets om uit dien toestand te geraken — zegt mijn onderbewustzijn mij, dat het ontwaken uit dien droom ellendiger zal zijn, dan die droom zelf?

Behoefte aan eten of drinken heb ik niet — maar evenmin kan ik zeggen, dat spijs en drank mij tegenzin inboezemen. Wellicht eet ik — misschien ook niet. Als ik het doe, is de spijs mij niet tot voedsel, de drank mij niet tot lafenis geweest. De geestelijke druk verlamt mijn physieke constitutie. In mijn paviljoen gaat alles gewoon, als toen ik vrijgezel was, de kokki vraagt om blanja1), het eten komt op tafel, de huisjongen verricht zijn werk

— of doet alsof.

Tientallen vrienden en kennissen betuigen mij hun deelneming: ik heb geen der troostwoorden gehoord, laat staan ter harte genomen. De dominé komt minstens tweemaal per week. Ik herinner mij, dat ik mij telkens verwonder, als ik hem al weer in

*) blanja = pasargeld.