is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plotseling bedenken hoe zijn jongens op de wegen zwierven, of dat zij aan het zwemmen waren tusschen de kribben, dan kon een vlaag van angst hem overvallen, een diep en stekend instinct van vrees sprak in hem. Hij bedacht, dat ze vlug en behendig waren, dat ze uitstekend konden zwemmen en niet zouden verdrinken. Maar hij zei: God bescherme hen. En als ze nadien thuis waren, dan kon hij ze eens stevig vast houden, ze door mekaar schudden, ze tillen als een athleet. Hij hield hen in zijn armen als in groote, krachtige voorpooten vast, voor de schoone vreugd hen te bezitten en weer te hebben, en ook den trots, dat het zijn jongens waren. Er waren oogenblikken, als hij met hen aan tafel zat, dat hij zijn zwijgen voor hen verbrak. Den keer dat hij een glas wijn dronk, hief hij het glas, keek zijn jongens aan en zei: Wordt mannen, vreest uwe vijanden nimmer, en slaat hen neer. Dat was taal naar hun hart, ze hieven hun kroes water op, en klonken met vader. Er waren dagen, dan bakte moeder van bloem van meel eigenhandig groote pannekoeken in de keuken. Zij kwamen op tafel, de eerste pannekoek legde vader op zijn hoofd, op zijn ruige wilde, rossige haren, daar wordt een man niet belachelijk door voor zijne zonen, zij keken vader stil aan en wachtten tot de pannekoek op een groote tinnen schotel werd gelegd. Vader sloeg een servet uit, wreef zich de haren droog en sneed de koek in parten, ieder moest zijn bord bijhouden