is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat borg dit water, de Wiel, wat borg zij in hare diepten. Daar zat visch in de Wiel, neen, daar zat één visch in, die voor andere visschen geen plaats liet, er zat een achthonderdjarige snoek in. Die sliep op'den bodem, het water wiegde van zijn ademhaling. Als hij zich naar de oppervlakte afstiet, begon het water te golven, een storm stak op, de Maas qgrt den anderen kant van den dijk kwam ervan in beweging. De snoek spleet het water, dat was een gebeurtenis, de lengte van het monster was niet met meters te meten. Het rees als een stoomketel. Als een berg, het had een kop rond als de aarde, en er groeide een wilde vegetatie van mos en gras op dien kop, die wilde groei oversluierde zijn uitpuilende oogen. Honderd jaren geleden hadden vijf dorpelingen geprobeerd den snoek te vangen. De snoek slingerde hen echter met hun vijven het water in, zij zijn nooit meer terug gezien. En nu kabbelt en rimpelt het water, of het ligt stil boven het geheim van hun dood. Er is een soort van wetenschappelijke vereeniging opgericht, de broederschap van den snoek, die broederschap komt gezellig bijeen in de herberg De Koffiekan van Willem van Oijen, daar wordt de kroniek van den snoek bijgehouden. De verrichtingen van den snoek worden er geschreven op groote bladen papier. Zijn omvang wordt geschat naar de waterverplaatsing, eens was de snoek den dijk over de Maas ingesprongen, het water in de Wiel was toen