is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegaan. De molen staat nu leeg en stil, de wieken staan in het kruis. De boeren moesten nu naar de molens in de omgeving, die molenaars kregen het er drukker door, dat die gevloekte molen hier verlaten stond. De wind kwam en klaagde zoo'n beetje in de wieken, de regen geeselde den steenen romp. Het spektakelde er van de ratten. In de maannachten hoorde ge hun gedraaf. Het waren groote ratten, dikgegeten ratten. Ze kwamen voor de raampjes, rechtstandig met hun lange, kale dunne, blauwe staart, met de voorpootjes net gelijk kleine handen zoo fijn gevormd. De ratten neuzelden tegen de ruitjes op met hun bewegelijke, zoekende spitse snuit, uiterst smal geheven tusschen het opstaan van de snorharen en de gespitste doorzichtige ooren, o, die ratten hadden nog hun gruwelijke teerheid waar ze voor smeekten naar de maan. De ratten op den molen. Ze hadden er hun nesten vol jongen, die groeiden groot, er waren weer nieuwe nesten. Het krioelde er. Er waren er honderden en honderden.

In het duister rond den molen kwam soms een boer, die ging hier of daar zitten kijken. Die keek omhoog naar de ruitjes van den kapzolder en van den meelzolder. Door de ruiten heen zag hij achter de ratten een neerhangend touw schemeren, dat bewoog soms op den tocht, als de winden om den molen klaagden en door de kieren heendrongen. Die

Dorp aan de rivier

9