is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar smal figuur in de lange mantel, de handen in den mof dien ze hoog voor het lichaam draagt, de hoed en de voile daarover gespannen voor het gezicht, de mond verborgen en rood daarachter en het vriendelijk kijken van haar oogen als zij u goedendag knikt. Nu Cis den Doove achter den dokter aan door den polder loopt ziet hij naar de zware laarzen en naar het geweldige figuur van dezen man, daar leven teederheden in de wereld van een man met zijn vrouw, waarvoor Cis den Doove een grooten eerbied gevoelt. Misschien omdat het sneeuwt, omdat de boomen schuin en kaal voor den verren horizont staan, misschien omdat de dokter zwijgt en nu daar vóór hem treedt, zoo zwaar en zoo groot, gevoelt Cis den Doove in zichzelf het zwellen van een gevoel, waarin hij denkt aan die vrouw die bij hem kwam in zijn woonark, die donkere vrouw uit Bohemen. Zij zal zeker naar Bohemen terug zijn, Cis den Doove heeft de bekoring des vleesches in zijn verbeelding, alsof hij in de sneeuw de ontblooting van hare borsten ziet, de warme borsten waar de sneeuw fijn en koel op valt. Wat zijn dat voor gedachten. Cis voelt in zich iets steken van spijt en heimwee en bittere onmacht om zijn verlangen te vervullen. Hij komt langs dokter van Taeke loopen. Hij begint te praten:

— In het voorjaar is bij mij eens een vrouw geweest ....