is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weerskanten, en zet zijn koetsierspet op. Dan houdt hij de deur voor den dokter open.

— Maar wat mankeer ik dan? roept Janus de Mert nijdig.

Dokter van Taeke draait zich naar hem om, hij brengt de kin naar voren, kijkt, de wenkbrauwen opgetrokken, op Janus de Mert van uit de hoogte neer, en zegt:

— U heeft maagkanker!

Dan is hij de deur uit.

Janus de Mert zit bleek op zijn stoel. De klok tikt hard in de stilte. Op den stal zingt een ingetogen vrouwestem. Het is alsof de eender gebleven dingen nu op slag zijn veranderd. De dag is donkerder, het licht onder de buien buiten is grauwer, de wind huilt over den dijk. Alles, wat Janus de Mert omgeeft, heeft toch in zijn geheimzinnig zwijgen geweten van de ziekte, die in het verborgen zat en vrat aan de gemartelde maag, nu blijft het er allemaal zoo onverschillig bij, het vuur in de plattebuiskachel, de wind aan het raam, de buigende kale boomen in de verte. De boer is opgestaan. Hij staat nu vlak bij het raam. Het glas slaat aan van zijn adem. De adem van een kankerlijder. Kanker. Een woord, dat schrijnend klinkt. Een angel slaat een weerhaak, er ontbindt iets, dat zonder geluid los en uit elkaar valt. Voor Janus de Mert zijn gezicht komt de kanker aan