is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nardje staat daar, het gezicht rood en blauw in de kou en in den feilen wind. Nu komen zij dicht bij de kribben, bij den veerdam. Het ergste leed is geleden. Nardje, de staalharde oogen op één punt, begint ineens te vertellen:

— In de winter van ....

In een van die ouderwetsche winters is er natuurlijk een veerman verongelukt. Nardje begint dit nu te vertellen, nu hij ziet, hoe hij het met al zijn moeite en inspanning toch haalt en den onder het ijs zittenden veerdam bereikt.

Dirk van Alem heeft 's middags zeker zitten bidden, dat het nu maar niet gebeuren zou. Hij ging af en toe eens kijken naar de Maas. Er kwam voortdurend meer ijs, de wind uit het noordoosten werd erger van uur tot uur, een storm stak op, de Maas werd wild. Dirk van Alem zat in huis toen het ging schemeren, de schemering zelf was een angst voor een langen avond en een langen nacht, waarin verschrikkelijke dingen gebeuren konden. Dirk van Alem zat naar den wind te luisteren, naar den onafgebroken, stijgenden en langzaam dalenden wind in de kachelpijp. Het geluid bromde klagelijk weg. Het stierf over de wereld, maar het keerde in kracht terug. Het steeg. Het zwiepte als fluitende zweepen. Het drukte met groote zwaarte tegen de ruit, en de deur trilde in het gebint. De wereld was bewogen